Verklarende woordenlijst

achterklinker
apocope
schwa-apocope
consonant
dentaal
diftong
diftongering
diminutief
dissimilatie
epenthese
flexie
foneem
fricatief
gedekt
 
geminatie
gerond
ronding
gesloten
sluiting
halfmedeklinker
intervocalisch
klanknabootsing
labiaal
labiodentaal
metathese
afstandsmetathese
metafoor
metoniem
 
monoftong
monoftongering
mouillering
nasaal
nasalisering
occlusief
ongerond
ontronding
open
halfopen
opening
palataal
palatalisatie
paradigma
rekking
semivocaal
stemhebbend
stemloos
syncope
umlaut
primaire -
secundaire -
morfologische -
velaar
verkorting
vocaal
vocalisering
volksetymologie
voorklinker
West-Germaans

 

achterklinker : zie velaar.

apocope : het weglaten van een klank aan het woordeinde.
 
    schwa-apocope : het weglaten van een eind-schwa (bv. zonne > zon).

consonant : medeklinker.

dentaal : (ook: apicaal) De t, d, s, z, l, n, en r zijn dentalen, i.e. medeklinkers die gerealiseerd worden doordat  de tong ter hoogte van de tandkassen de luchtstroom hindert (bij de fricatieven) of onderbreekt. In dit laatste  geval zijn er twee mogelijkheden: ofwel wordt het naar buiten stromen van de lucht tijdelijk onderbroken met een kleine ontploffing hernomen (bij de occlusieven) ofwel ontsnapt de luchtstroom via de neus (bij de n als nasaal). Bij de l (een zgn. lateraal) zorgt de stand van de tong ervoor dat de luchtstroom in twee zijdelingse stroompjes wordt opgesplitst. Bij het uitspreken van de r wordt de luchtstroom in de breedte onderbroken, zodat er een reeks snel op elkaar volgende luchtstootjes ontstaat. De r heet daarom een trilklank. Wanneer daarbij de tongpunt aan het trillen gebracht wordt, ontstaat een tongpunt-r, bij een huig-r (ook wel Franse r genoemd) is het de huig, het achterste gedeelte van het zachte verhemelte dat trilt. De n, l en r worden samen ook wel sonoranten genoemd.

diftong : (ook: tweeklank) klinker die zich fonologisch gedraagt als een lange klinker en als wezenlijk kenmerk de verglijding heeft tussen een start- en eindpositie. Het Nederlands kent enkel de diftongen ui, ei en ou, die alle drie een halfopen klinker als startpositie hebben en zijn gesloten tegenhanger als eindpositie (e > ie = ei; > uu = ui; o/a > oe (uit een gevocaliseerde l) = ou).

diftongering : Deze term kan twee in wezen verschillende processen aanduiden: 1) het vervangen van een  korte monoftong door de tweeklank die als eerste element diezelfde monoftong heeft, bv. veinster voor ‘venster’; 2) het toevoegen aan een lang of korte monoftong van een meer gesloten klinkernaslag met dezelfde articulatiewijze, waardoor een opeenvolging van twee monoftongen ontstaat die dezelfde articulatieplaats en -wijze hebben als die van het start- en eindpunt van een diftong, bv. boooem voor ‘boom’.

diminutief : verkleinvorm van een zelfstandig naamwoord (bv. plankje).

dissimilatie : het ongelijk worden van twee identieke medeklinkers in een woord, doordat een van de twee verandert (vb. lepel > leper).

epenthese / epenthesis : het inlassen van een medeklinker midden in een woord (bv. duur + -er > duur-d-er).

flexie : verzamelnaam voor de vervoeging van werkwoorden en de verbuiging van andere woordklassen (zelfstandige naamwoorden, bijvoeglijke naamwoorden, lidwoorden, voornaamwoorden).

foneem : de kleinste klankeenheid die een betekenisverschil weergeeft. In het Nederlands zijn bv. de r en de l wel twee fonemen, want lust betekent iets anders dan rust, maar in het Chinees niet. De huig-r en de tongpunt-r zijn in het Nederlands twee realisatievormen van n en hetzelfde /r/-foneem. Zij worden ook vrije varianten van elkaar genoemd, want door de uitspraak van ras met een huig- of een tongpunt-r verandert de betekenis van het woord niet.

Een foneem wordt gedefinieerd door de combinatie van fonologische eigenschappen die het uniek maakt tegenover alle andere fonemen. Zo wordt het foneem b gedefineerd door de kenmerken labiaal, stemhebbend, occlusief en niet-nasaal. Wanneer men n van deze vier kenmerken verandert, wordt een ander foneem dan de b (bv. een d, een p, een v of een m) gerealiseerd.

fricatief : (ook: spirant) medeklinker die gerealiseerd wordt doordat de tong een vernauwing van het spraakkanaal teweeg brengt, zodat er geruis ontstaat. Bij het uitspreken van een fricatief wordt de luchtstroom dus niet volledig onderbroken, zoals bij de occlusieven wel het geval is. Naagelang van de plaats in de mond waar de tong deze vernauwing veroorzaakt, wordt onderscheid gemaakt tussen de labiodentale fricatieven f en v, de dentale fricatieven s en z, de palatale fricatieven sj en zj en de velare fricatieven g en ch.

gedekt : gezegd van een medeklinker, wanneer die gevolgd wordt door nog minstens n andere medeklinker (bv. de ng in hengst is gedekt).

geminatie / gegemineerd : verlenging van een medeklinker. Een gegemineerde medeklinker is in de historische taalkunde een lang uitgesproken medeklinker. Historische geminaten zijn in het Nederlands vaak nog te herkennen doordat ze tussen twee klinkers (waarvan de eerste steeds kort is) dubbel geschreven worden (bv. zetten, leggen, kar < Mnl. karre, web < Mnl. webbe, rug < Mnl. rugge).

gerond : klinkers die gerealiseerd worden met een ronde stand van de lippen zijn gerond. De uu, u, eu, en zijn geronde voorklinkers; de oe, o en de oo zijn geronde achterklinkers (zie ook: ongerond).

            ronding : het met geronde lippenstand realiseren van een oorspronkelijk ongeronde klinker.

 
gesloten : klinker die gerealiseerd wordt met minimaal geopende mond. De ie, uu en oe zijn gesloten klinkers.

            sluiting : het meer gesloten uitspreken van een open of halfopen klinker.

halfmedeklinker : zie semivocaal.

intervocalisch : het tussen twee klinkers staan.van een medeklinker(combinatie).

klanknabootsing: taalvorm waarbij door het woord een ongearticuleerd klank wordt nagebootst. Stilistisch ontstonden zo vormen als rikketikken of gerommel (van de donder), maar ook vogelnamen alds koekoek en werkwoorden als blaten.

labiaal : medeklinker die gerealiseerd wordt met vooruitstulping van de lippen. p, b en m zijn labialen.

labiodentaal : medeklinker die gerealiseerd wordt met behulp van de onderlip en de boventanden. De f en v zijn labiodentalen.

metafoor: beeldspraak, het verschijnsel dat op grond vqn overeenkomst iets met de naam van iets anders benoemd wordt (hij is een beer > hij is zo sterk als een beer)

metoniem: het verschijnsel dat iets met de naam van iets anders benoemd wordt, omdat beide bij elkaar horen. Een standaardvoorbeeld wordt geleverd door de leraar die zegt: "de achterste bank moet opletten", maar niet de bank doch de leerlingen die op die bank zitten, bedoelt.

metathese / metathesis : het van plaats verspringen van een medeklinker (bv. sprote > sport).
afstandsmetathese : het van plaats wisselen van twee medeklinkers over een lettergreepgrens en een tussenliggende medeklinker heen (bv. kervel > kelver).

monoftong : (ook: eenklank) een enkele klinker, die lang of kort kan zijn. De i, e, a, o, u en zijn korte monoftongen. De ee, aa, oo, uu, eu en zijn lange monoftongen. De ie en oe zijn in oorsprong lange monoftongen, die in het AN verkort zijn behalve wanneer ze voor een r staan (bv. biet - bier / boek - boer). In de Nederlandse dialecten is de verdelig tussen korte en lange ie en oe niet overal zoals in de standaardtaal verlopen.

monoftongering : het vervangen van een diftong door een monoftong. Zo wordt bv. in de (ook Brabantse) uitspraak bte voor ‘buiten’ een gemonoftongeerde ui gerealiseerd.

mouillering : het palataal uitspreken van een medeklinker, bv. kj voor k (cf. palatalisatie).

nasaal : medeklinker die gerealiseerd wordt door de luchtstroom niet via de mond maar de neus naar buiten te sturen. De m, n en ng zijn nasalen, die van elkaar verschillen door de plaats waar de mond afgesloten wordt: bij de labiale m gebeurt dat ter hoogte van de lippen, bij de dentale n ter hoogte van de tanden en bij de velare ng door de tongrug tegen het achterste verhemelte te drukken.

nasalering : klinkerverandering waarbij de klinker in kwestie gerealiseerd wordt door de luchtstroom via de neus in plaats van de mond te laten ontsnappen. Dit gebeurt onder invloed van een volgende nasale medeklinker, die eventueel vervolgens zelf uitgestoten kan worden (bv. ms voor ‘mens’).

occlusief : medeklinker die gerealiseerd wordt doordat de luchtstroom tijdelijk afgesloten en vervolgens met een lichte plof weer doorgelaten wordt. Naargelang de plaats in de mond waar deze afsluiting optreedt, wordt onderscheid gemaakt tussen de labiale occlusieven p en b, de dentale occlusieven t en d, de velare occlusieven k en g en de stembandocclusief of glottisslag ([ / ] ). Deze laatste wordt gerealiseerd door de luchtstroom ter hoogte van de stembanden even te onderbreken (occlusie) en dan weer vrij te laten (explosie). Hij treedt in het oostelijke deel van de Zuiderkempense dialecten op ter vervanging van een intervocalische k of t.

ongerond : (ook gespreid) klinkers die gerealiseerd worden met een gespreide stand van de lippen zijn ongerond. Het Nederlands kent naast geronde ook ongeronde voorklinkers, nl. de ie, i, ee en e, maar alleen geronde achterklinkers.

ontronding : het met gespreide lippen realiseren van oorspronkelijk geronde klinkers. Ontronding komt in de Brabantse diealecten slechts in drie welomschreven gebiedjes systematisch voor (cf. kaart): ten eerste in de westrand van het Kleinbrabants en Pajottenlands, in en ten oosten van Aalst (O 61); ten tweede in en ten zuiden van Boom (K 287) en ten derde in een zandlopervormig gebied met als zuidelijkste punt Leuven (P 88) en als noordelijkste Hulshout (K 340). Het ontronden van de geronde voorklinkers resulteert in hun gespreide tegenhangers (bv. muur > mier en deur > deer). Bij de geronde achterklinkers ontstaat door ontronding een reeks ongeronde achterklinkers. Dit heeft in deze ontrondingsgebieden in de regel het verdwijnen van de corresponderende geronde velaar tot consequentie.

ontrznl.jpg (45866 bytes)

open : klinker die gerealiseerd wordt met maximaal geopende mond. De ae, aa en a zijn open klinkers.

halfopen : klinkers waarbij de mondstand niet helemaal open en evenmin gesloten is, worden halfopen genoemd.

opening : het meer geopend uitspreken van een gesloten of halfopen klinker.

palataal : klank die vooraan in de mond, ter hoogte van het hard verhemelte (palatum), gerealiseerd wordt. De j is een palatale medeklinker. De ie, i, e, ae, u, uu, eu en zijn palatale klinkers, ook voorklinkers genoemd.

palatalisatie : het meer vooraan in de mond uitspreken van een klinker (een /a/ wordt dan bv. een /ae/). Palatalisatie van medeklinkers wordt mouillering genoemd.

paradigma : het grammaticale geheel van verbogen of vervoegde vormen van een woord.

rekking : het lang worden van een oorspronkelijk korte klinker, bv. in open lettergreep.

semivocaal : (ook: halfmedeklinker) de j en de w zijn medeklinkers die wat hun karakteristieken betreft erg nauw aansluiten bij de klinkers. De enige medeklinker-eigenschap die ze vertonen is het geruis bij het uitspreken, dat ontbreekt bij de klinkers. De w lijkt qua fonologische eigenschappen heel erg op de oe, maar wordt met sterkere sluiting en met geruis gerealiseerd. De j lijkt heel erg op een ie, maar wordt meer gesloten gerealiseerd en met geruis.

stemhebbend : bij de realisatie van een stemhebbende klank worden de stembanden aan het trillen gebracht. Alle klinkers zijn stemhebbend. De v, z, g, b, d, en G zijn stemhebbende medeklinkers met als stemloze tegenhangers de f, s, ch, p, t en k. Ook de m, n, ng, l, r, j en w zijn stemhebbend, maar zij hebben in het Nederlands geen stemloze tegenhangers.

stemloos : medeklinkers die gerealiseerd worden zonder dat daarbij de stembanden trillen worden stemloos genoemd. Het gaat om de f, s, ch, p, t en k. Zij hebben allen ook een stemhebbende tegenhanger.

syncope: uitstoting van een klinker of medeklinker midden in een woord (broer < broeder)

umlaut : klinkerverandering waarbij onder invloed van een (oorspronkelijke) umlautfactor, nl. een i of j in de volgende lettergreep een klinker vervangen wordt door een meer palatale klinker (bv. a > e in stad/steden; oe > uu in zuut voor zoet).

primaire umlaut: Volgens Goossens (1989) de umlaut van een korte Wgm. a, behoudens bepaalde uitwonderingen (umlautstremmende factoren als tussenstaande -cht- (machtig) of tussenliggende lettergreep (*magadi- > maagd)), waarvan het product vervolgens is samengevallen met de korte Wgm. e. De primaire umlaut heeft geen gevolgend gehad voor de klinkerinventaris van het Wgm.: na de werking van de primaire umlaut waren er woorden met een korte velare a-klank waarin geen umlautfactor volgde en woorden met een palatale korte e-klank. Deze laatste groep bestond uit twee soorten woorden wat hun oorsprong betreft: enerzijds de woorden met een oorspronkelijke Wgm. korte e en anderzijds de woorden met een umgelautete korte Wgm. a. De umlautfactor bleef na deze foneemsamenval aanwezig en werkzaam, zodat het product van de primaire umlaut zich in een volgende fase tot een secundaire umlaut van de e ontwikkelde. De primaire umlaut heeft in het hele Nederlandse taalgebied gewerkt.

secundaire umlaut : Volgens Goossens (1989) de umlaut vaneen hele reeks velare klinkers (Wgm. u, , , en ao); die later werkzaam is geweest dan de primaire umlaut en de klilnkervoorraad aanzienlijk heeft uitgebreid. De woorden met zo een velare klinker als stamvocaal werden door de secundaire umlautwerking in twee groepen opgedeeld, al naargelang er na de stamvocaal wel of geen umlautsfactor volgde. Was dat het geval, dan veranderde de oorspronkelijke velare stamvocaal uiteindelijk in een nieuwe, palatale klinker. Er had m.a.w. foneemsplitsing plaats. Dit eindstadium van de secundaire umlautwerking is slechts in de oostelijke helft van het Nederlands taalgebied systematisch bereikt. Het westen (Vlaanderen, Zeeland, Holland) heeft er waarschijnlijk wel aanzetten toe gekend, maar deze hebben niet tot de uitbouw van opposities tussen umgelautete en niet-umgelautete vormen geleid.

morfologische umlaut : umlaut die een morfologische functie heeft, d.w.z. gevallen waarin de onverbogen of onvervoegde vorm geen umlaut heeft, maar sommige verbogen of vervoegde vormen van hetzelfde woord wel. (vb. bakken / bekker, vallen / (hij) velt , zak / zek , plank / plenkske).

 

velaar : (ook: velair; bij klinker ook: achterklinkers) achteraan in de mond gerealiseerd. Velare klinkers zijn de oe, o en a; velare medeklinkers zijn de g, G, ch, k, ng.

verkorting : het kort worden van een oorspronkelijk lange klinker (bv. gon voor ‘gaan’).

vocaal : klinker. Er wordt onderscheid gemaakt tussen korte klinkers, lange klinkers en tweeklanken.

vocalisering : het tot klinker worden van een medeklinker onder invloed van de omgeving. In de cluster a/o + l + d/t is de l in het Nederlands gevocaliseerd tot oe en vervolgens met de voorgaande korte klinker versmolten tot een ou (cf. AN houden, goud - Dts. halten, Gold).

volksetymologie: verandering van een onbegrepen woord, gebaseerd op een etymologische interpretatie daarvan waarbij verwantschap of gelijkheid verondersteld wordt met een vertrouwd, bekend woord (vb. suikerij voor chicorei)

voorklinker : zie palataal.

West-Germaans : verzamelnaam voor een van de drie groepen die binnen de Germaanse talen onderscheiden worden, de andere twee heten Noord- en Oost-Germaans. Het Engels, het Fries, het Nederlands en het Duits zijn West-Germaanse talen. Met West-Germaans wordt in dit werk met name de gemeenschappelijke voorfase van deze vier moderne talen aangeduid.

 

(bronnen:  - Woordenboek van de Brabantse Dialecten, Klankgeografie (te verschijnen) 

                    - Van Dale groot woordenboek der Nederlandse taal, 12e uitgave, 1992

                    - A. Weijnen, Etymologisch Dialectwoordenboek, 1995)